Wanneer ‘de Chinees’ zoveel meer betekent

Het is 1934 wanneer mijn overgrootvader via Parijs naar Nederland komt. Een jonge twintiger. Op zoek naar avontuur.

Restaurant Tjong Tong, Stadsarchief Utrecht
11/3/2026
Portret van Hui-Hui Pan
Door
Hui-Hui Pan

Amsterdam, maart 2026

Het is 1934 wanneer mijn overgrootvader via Parijs naar Nederland komt. Een jonge twintiger. Op zoek naar avontuur. Iemand die zomaar op een schip sprong en vertrok. Weg van zijn vrouw en zijn eenjarige zoontje. Weg van het land dat verscheurd werd door interne chaos en dreiging van oorlog. Dat dat zo was, begrijp ik eigenlijk pas veel later. Als kind kende ik die geschiedenis niet. Voor mij was hij gewoon de overgrootvader die af en toe langskwam in het restaurant van mijn ouders, vergezeld met zijn vrouw.

Advertentie opening restaurant Tjong Tong, 1967

Zijn vrouw noemden wij – vrij vertaald – de Nederlandse oma. Zij was immers de derde vrouw in zijn leven, naast zijn Chinese en Indonesische vrouw. Een fascinerend detail. Want hoe kom je aan drie vrouwen? Los nog van het feit dat hij daarmee in zijn eentje het stereotype beeld van de onaantrekkelijke Aziatische man direct onderuit haalde. Dit soort details hoor ik terloops, in halve gesprekken die nooit echt een einde lijken te hebben.

Zelf wist ik weinig over waar ik vandaan kwam. Want wat weet je eigenlijk van je eigen achtergrond? Welke verhalen worden doorgegeven, en welke verdwijnen ergens tussen generaties in? Heel eerlijk: ‘Chinees’ zijn, en vooral het woord ‘de Chinees’, voelde voor mij lange tijd beladen. Het was een woord dat voor mij trauma belichaamde. Trauma dat me van kinds af aan leek te achtervolgen.

De afgelopen weken bleek opnieuw hoe geladen dat woord eigenlijk is. En tegelijkertijd hoe normaal het nog steeds wordt gevonden. Het ongemakkelijke gevoel wanneer je weer eens wordt gereduceerd tot niets meer of minder dan een label, alsof een hele geschiedenis kan worden samengevat in twee woorden.

Dat gevoel is niet alleen persoonlijk. Het heeft een langere geschiedenis. Al begin twintigste eeuw, toen het aantal Chinese migranten in Nederland langzaam toenam, ontstonden beelden en stereotypen die nog altijd rondzingen. Rond de jaren dertig, precies in de periode dat mijn overgrootvader hier aankwam, namen uitsluiting en vijandigheid soms extreme vormen aan. Het is een besef dat me de laatste jaren aan het denken heeft gezet.

Mij persoonlijk houdt dit dan ook bezig. Hoe zou het voor hem zijn geweest? Wat ik van hem weet? Flarden. Mijn ouders vertellen dat hij een trotse man was. Geletterd. Ondernemend. Hoezo had hij drie vrouwen. En, wat deed hij hier? Zo blijkt hij volgens mijn ouders degene te zijn die de pindakoekjes maakte, of eerder liet maken denk ik. Hij verkocht ze aan de werkloze Chinese zeelieden die door de grote depressie werkloos raakten, en ten einde raad pindakoekjes gingen verkopen. Later had hij een tofu-fabriek, lang voordat de westerse wereld tofu toe-eigende als ‘vleesvervanger’.

Ook opende hij een van de eerste Chinese restaurants in Utrecht. In het Utrechtsch Nieuwsblad plaatst hij een kleine advertentie, onopvallend lijkt mij anno 2026. Maar in 1967 kan een klein berichtje misschien het verschil hebben gemaakt, wie weet. 1 juli 1967 is de opening van zijn Chinees-Indisch restaurant: Tjong Tong (中东酒楼), Restaurant Het Midden Oosten. Mijn ouders weten nog exact in welke straat en welke naam het restaurant had, als ook hoe de gevel eruitzag. Voor mij is het een puzzelstuk. De naam alleen roept bij mij vragen op. Waarom die naam? Waar verwees die naar? Het zijn dit soort details die mij nieuwsgierig maken.

Dat ik dit überhaupt weet, komt door kleine puzzelstukjes: gesprekken met mijn ouders, en een beetje graafwerk in het Stadsarchief van Utrecht. Maar eigenlijk weet ik nog steeds heel weinig. Een paar anekdotes, wat losse feiten, en herinneringen die vooral draaien om het restaurant van mijn ouders.

Wat wel altijd een constante in mijn leven was: eten. Eten roept herinneringen op. Het maakt blij. Gelukkig zelfs. Maar draagt ook een zwarte kant. Zoals alle ‘grappen’ waarvan ik nu weet dat ze racistisch zijn. Tegelijkertijd is het eten dat misschien de enige laagdrempelige manier is om mijn eigen haat-liefdeverhouding met mijn geschiedenis en identiteit te begrijpen. Alsof eten de enige taal is waar verhalen wel bewaard zijn gebleven.

Door een toneelstuk als Happy in Holland kon ik me voor het eerst echt verplaatsen in mijn ouders en hun generatie. En ook de recente film van Julie Ng, Meer dan Babi Pangang, laat zien hoe complex die zoektocht naar identiteit kan zijn. Hoe heling en het omarmen van jezelf vaak tijd nodig hebben. Misschien is dat uiteindelijk waar het om gaat. Dat we langzaam weer ruimte maken voor die verhalen. Voor de mensen achter het woord.

Want heel eerlijk: eigenlijk zouden we trots moeten zijn op onze roots. Dus laten we dat vooral doen.

De komende periode gaan we bij Pan Asian Collective ook weer verder bouwen aan die verhalen en erfgoed. Binnen ons programma Azië x Nederland werken we samen met Culinary Roots. In het Culinary Roots programma kan iedereen, geboren vanaf 1981, zich aanmelden om via eten op reis te gaan naar jezelf: je familiegeschiedenis, je identiteit en de betekenis daarvan vandaag. Meld je nu aan!

In Rotterdam organiseren we daarnaast een nieuwe editie van Build Your Archive, dit keer samen met vrouwenorganisatie Onni, Migratiemuseum Fenix, het Stadsarchief Rotterdam en vele anderen. Een plek waar persoonlijke verhalen, objecten en herinneringen een plek kunnen krijgen. Volg ons voor details!

Ook gaan nieuwe edities van de Pan Asian Stories Bookclub van start, komen er weer Dim Sum Sessies, Lotus Labs en verschillende workshops waarin we samen blijven zoeken naar taal, beelden en verhalen voor onze gemeenschappen.

En ja. Vanaf nu zal ik hier elke maand een nieuwe column schrijven.

Liefs,
Hui-Hui

Downloads

No items found.

Agenda

Nog geen gerelateerde agendapunten
Cursor Text